Weekbrief 19 juni 2020

Lieve mensen,
Het is al weer half juni. A.s. zondag is het de 21e, het begin van de zomer. Een zomer die anders zal zijn dan andere zomers. Niet het gevoel van een rustpauze na een gevuld seizoen en na die rustpauze, thuis of elders, weer fris opgeladen aan een nieuw verenigingsjaar beginnen. De meesten van ons hebben juist een rustige periode achter de rug en zullen ook in de zomer niet ver weg gaan. Toch zal er, hopelijk, na de zomer wel weer een nieuwe tijd aanbreken in die zin dat we elkaar weer zullen kunnen ontmoeten in de Majellakapel of elders.

Afgelopen dinsdag is de literatuurkring weer bij elkaar gekomen, voor het eerst sinds half februari. Een klein groepje, in een grote kerkzaal…Maar het was fijn om weer zo’n gesprek met elkaar te hebben. Half juli willen we dat weer doen, zie ook wat Peter Korver elders in deze weekbrief hierover schrijft.

Overigens zag ik bij die gelegenheid ook naast het trapje naar de voordeur van de Majellakapel een mooie bloeiende struik staan. U ziet hem rechts boven in deze weekbrief. (Voor de liefhebber: het is een kalmia, of lepelboom.)

A.s. zondag, 21 juni, weer een online-dienst, deze keer vanuit de Majellakapel, geleid door Joke Werner. De tekst vindt u aan het eind van deze weekbrief.

Zie voor de dienst zondag  www.majellakapel.nl

U opnieuw een goede week toewensend,

Marijke Katerberg-Muns


Terug naar normaal

Afgelopen dinsdag was er voor de eerste keer in coronatijd weer een activiteit voor leden en vrienden in onze Majellakapel. Dinsdagochtend kwam de literatuurkring bij elkaar. U zult begrijpen dat er goed was nagedacht over hoe dat veilig kon gebeuren. We voelen ons daar uiteraard verantwoordelijk voor. Wie wilde meedoen, diende zich van tevoren per mail of per telefoon aan te melden, zodat we ons konden voorbereiden. Bij de deur aan de Iepenlaan ontvingen we de deelnemers en stelden hun formeel de vraag of zij gezondheidsklachten hadden. Binnen kon men in de leskamer de handen ontsmetten en doorlopen naar de kerkzaal.  Daar zaten we met acht mensen in een vrij grote kring. Je kon merken hoe blij iedereen was om elkaar weer te zien en te spreken. Het was inmiddels vier maanden geleden dat de vorige samenkomst was geweest. Het boek van vandaag was al voor maart gelezen. Menigeen had ‘Pastorale’ van Stephan Enter daarom nog eens opnieuw doorgenomen…  Tussendoor was er een kopje koffie, uiteraard ook op verantwoord veilige manier ingeschonken en ter hand gesteld. Gezien de onderlinge afstand van anderhalve meter verliep het gesprek gedisciplineerder, dus zonder onderonsjes en nadrukkelijk duidelijk uitgesproken. Dat alles deed beslist geen afbreuk aan de goede sfeer en de inhoud van het gesprek.

Voor een kerkdienst komt er echter nog meer kijken aan voorbereiding. Daar wachten we dan ook mee tot september. Wilt u tot zolang niet wachten om anderen te ontmoeten, dan bent u welkom bij de juli-bijeenkomst van de literatuurkring. Die is op dinsdag 21 juli, aanvang 10.15 uur. Een keuze voor een boek is nog niet gemaakt, maar die vindt u vast genoemd in de volgende weekbrief. Daarna mag u zich aanmelden!

Uiteraard vond ik het zelf erg leuk om weer een aantal van ons in het gezicht te zien en ervaringen uit te wisselen. Het is niet fijn om voorganger te zijn van een afdeling die, ook al is het tijdelijk, alleen functioneert dankzij hulpmiddelen als telefoon, email en internet….

Alle goeds voor u en tot spoedig ziens!
Peter Korver  


Taal, klank en begrip

 Nu de media begonnen zijn ook niet-corona-nieuws aan de orde te stellen, wil ik in deze weekbrief ook eens een andersoortig onderwerp bespreken. Ik wil het hebben over taal en klank. Als je mensen verschillende talen hoort spreken hoor je grote verschillen. De klank van bv. Nederlands, Duits en Engels is heel verschillend. En binnen die talen kom je onderling sterk verschillende vormen van uitspraak tegen. We groeien op met een bepaalde uitspraak en bewaren die in meer of minder sterke mate ons leven lang. Amsterdammers blijven meestal een ‘z’  aan het begin van een woord als een ‘s’  uitspreken. Hagenaars zullen de neiging behouden een ‘ei’ of ‘ij’ zo uit te spreken dat deze een ‘e’-achtige klank vormen. Zuiderlingen behouden hun zachte ‘g’, enz. enz.

Opmerkelijk is het feit dat drie bijbelvertalingen een heel belangrijke rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van respectievelijk het Duits, Engels en Nederlands. Dat zijn de vertaling van Luther (compleet in 1534), de King James Version (1611) en de Statenvertaling (1637). Ook al zijn er later veel andere vertalingen geproduceerd, nog altijd worden die drie genoemde vertalingen als klassiek beschouwd. Het is de kracht van hun taal die hen nog altijd waardering doet toekomen. Juist daar waar men met het lezen van de bijbel vertrouwd was en is, ziet men die gehechtheid aan de oude, bekende taal naar voren komen.

Niettemin zijn er steeds nieuwe vertalingen verschenen, steunend op betere bronnen, want we moeten bedenken dat van geen van de bijbelse geschriften een oorspronkelijk exemplaar is overgeleverd. We moeten het doen met handschriften uit latere tijden. Dat zijn kopieën van kopieën met op den duur bepaalde varianten. Toch mag je zeggen dat er een grote mate van betrouwbaarheid bestaat bij die overleveringen. Om één voorbeeld te noemen: handschriften uit Qumran, gevonden in de vorige eeuw, stemmen sterk overeen met Oudtestamentische teksten van handschriften van eeuwen later. Toch treft men in uitgaven van het O.T. in het Hebreeuws en in die van het N.T. in het Grieks veel, soms toch belangrijke, varianten aan, vermeld in een notenapparaat van wetenschappelijke uitgaven. Aan de andere kant hebben de “moderne” talen allerlei ontwikkelingen doorgemaakt, waardoor de oude vertalingen soms niet meer worden begrepen. Zo luidde het begin van het boek Prediker: “IJdelheid der ijdelheden…” Moderne jongeren denken bij ‘ijdelheid’ aan iets anders dan hier bedoeld. En ze kennen bv. het woord ‘kribbe’ vaak ook niet meer. Onder andere om die misverstanden te voorkomen is men nieuwe vertalingen gaan maken of is men, zoals bij de Statenvertaling, deze gaan “hertalen”. Het begin van het boek Prediker luidt dan anders. En ‘kribbe’, gehandhaafd in de hertaling van de Statenbijbel, luidt in de Nieuwe Vertaling ‘voederbak’.

Toch betekenen die veranderingen voor mensen die vertrouwd waren met de hun bekende klanken vaak iets van een verlies. Wij hechten aan vertrouwde klanken. Zo zijn er bv. veel moslims die diep getroffen worden door de klank van de Arabische tekst van de koran, al begrijpen zij daar geen woord van. De klank alleen heeft als het ware een magische uitwerking.

Het is van belang dat met de Reformatie zo’n waarde is gehecht aan een lezen èn begrijpen van de bijbel door alle gelovigen. Daarom werd in 1575 in ons land de Leidse Universiteit, als eerste universiteit in ons land, gesticht, namelijk om predikanten op te leiden die goed waren toegerust voor hun taak. En eeuwen lang werden daar theologen opgeleid die in staat waren om de bijbel in de grondtekst (Hebreeuws, Aramees en Grieks) te lezen. Aan de andere Nederlandse universiteiten werd dit uiteraard ook zo gedaan. Zo leerde men de bijbel goed te verstaan, maar ook kritisch te lezen. Je ziet dan een samengaan van taal, klank en begrip.

Ook als je de bijbel niet langer ziet als een door God geopenbaarde reeks geschriften, maar als een product van mensen uit lang vervlogen tijden, gevormd door een andere cultuur, blijft het lezen van die oude boeken van betekenis. In de eerste plaats, omdat ze voor een deel boeiende getuigenissen vormen van menselijk leed en vreugde. In de tweede plaats omdat onze cultuur in zo’n sterke mate is gevormd door bijbelse verhalen en motieven. En in de derde plaats vanwege de rijkdom van de taal der boeken.

Het is een waardevol tijdverdrijf eens een stukje te lezen in verschillende vertalingen en dan de taal en klank daarvan met elkaar te vergelijken.
Rob Nepveu


“Wat houd je bezig?”

Voor onze nieuwe rubriek heeft Nel van Gooswilligen het volgende, tot nadenken stemmende, verhaaltje ingestuurd. Wie volgt?

De haan die niet meer kraaide….

Er was eens een haan, die elke ochtend kraaide dat het een lieve lust was. De kippen in het hok maar ook de mensen tot in de verre omtrek hoorde hem kraaien en dan wisten ze: “Het daglicht breekt aan! Het is opstaan geblazen!”

Op een dag echter werd de haan vreselijk verkouden en de volgende ochtend – toen hij wilde gaan kraaien – kwam er allen maar een schor zacht geluid uit zijn keel. De kippen waren helemaal van slag en de mensen stonden die dag allemaal te laat op. Maar de dag brak gewoon aan en dat zette de mensen aan het denken. De haan bleef enige dagen verkouden en kreeg het stevig voor zijn kiezen. “We hebben je eigenlijk niet nodig”, zeiden de kippen. want ook zonder jouw gekraai wordt het licht en daar worden we dan vanzelf wakker van.”

De mensen begrepen nu dat het licht niet afhankelijk was van het gekraai van de haan. Dat veranderde hun kijk op het nut van de haan. De haan werd er somber van en zelfs toen hij weer kon kraaien, hield hij zich stil, want niemand wilde hem immers meer horen?! Maar na een tijdje gingen de kippen en de mensen het hanengekraai toch missen. Niet dat hij het licht aanzette, maar hij kondigde het wel aan! En dus gingen ze praten met de haan en ze haalde hem over om gewoon weer zijn werk te doen. “Het is nodig dat belangrijke zaken zoals de komst van het licht bekend worden gemaakt en vooral zo luid en duidelijk als jij dat doet, beste haan” zeiden ze. “Want er zijn altijd kippen en mensen die het licht niet kunnen zien of die zelf zo in het duister zitten, dat het ze ontgaat, dat het iedere morgen weer licht wordt. Kortom: kraai alsjeblieft en wees de boodschapper van het goede nieuws!

En zo geschiedde … En morgen … is het dus opgewekt opstaan geblazen!


Onderweg

zondag 21 juni 2020, voorganger Joke Werner-van Slooten

Welkom.

Vandaag begint de zomer. Vakantietijd. Althans… Voor menigeen ziet het er nu anders uit. Reizen zijn geannuleerd of uitgesteld. Nog liever niet in een vliegtuig en eigen land is ook prachtig. Maar we hebben wel een enorme behoefte om uit de vrijwillige en minder vrijwillige quarantaine te gaan en op weg te gaan. Daarom vandaag het thema ‘onderweg’, al gaat het niet over de vakantie.

Aansteken Kaars

Gebed

Bijbellezing: Gen. 12 en 13

Gekozen is voor  de reis die Abraham heeft gemaakt door God aan hem gevraagd.

Lied: 845 couplet 1, 2 en 3 (Tussentijd 47) Tijd van vloek en tijd van zegen,

Tijd van leven om met velen

                brood en ademtocht te delen –

                wie niet geeft om zelfbehoud,

                leven vindt hij honderdvoud.

Overdenking

In de bijbellezing heb ik vooral gezocht om de vergelijking te maken tussen de reis met onbekende bestemming die Abram heeft gemaakt en onze eigen reis die we maken in deze tijd, waarvan het ook onduidelijk is hoe de toekomst zal zijn. Zowel Abram als wij laten de oude wereld achter en er wordt een nieuw begin gemaakt. In lied 822 van het nieuwe liedboek wordt het zo gezegd:

Wij trekken maar verder,

voetje voor voet,

soms lood in de schoenen,

soms vleugels van licht

en zo gaan we verder, steeds verder.

Wij maken een reis en hebben geen flauw idee waar het heen zal gaan. De onzekerheid is groot. Net als Abraham die zich ongetwijfeld meerdere malen onzeker zal hebben gevoeld. Daarbij is hij  niet één keer van een vertrouwde plek op weg gegaan, zoals we net lazen, maar meerdere keren.

Wij maken nu de versoepeling van allerlei maatregelen mee, maar ik heb al van verschillende mensen gehoord dat ze daar ongerust over zijn. Hoe zal het gaan als de scholen, sportclubs, kerken weer open zijn. Onzekere tijden, waarin we vertrouwde zekerheden moeten loslaten. We zijn op weg, maar waar naartoe? Een vervolg op die vraag is: we zijn op weg, maar hoe?

Ik ben een liefhebber van de korte verhaaltjes van Toon Tellegen waarin dieren zich menselijk gedragen en waarin we soms ons ook iets leren over onszelf.

Ik ken dit verhaaltje al vele jaren en het komt bij mij altijd voor de dag als er iets ingrijpends is gebeurd. Ook hier onzekerheid en los moeten laten.

Op een wandeling naar de achterkant van het bos kwamen de mier en de eekhoorn bij een vervallen huis. De mier klom op de rug van de eekhoorn en keek door het gebroken raam naar binnen.

‘Wat zie je?’ vroeg de eekhoorn.

‘Allemaal stof,’ zei de mier. ‘Alles zit onder het stof,’

‘Er heeft vast allang niemand meer gewoond,’ meende de eekhoorn.

‘Laten we naar binnen gaan’, zei de mier en sprong op de grond.

Hij duwde de knop van de voordeur naar beneden en stapte over de drempel.

Het was donker binnen, oud en verlaten. De eekhoorn stapte achter de mier aan en knipperde met zijn ogen.

‘Wie zou hier gewoond hebben?’ vroeg hij.

‘Sst,’ zei de mier.

Zij keken in het rond en raakten gewend aan het donker. De mier nam een boek dat op tafel lag in zijn hand en blies het stof eraf.

‘Kijk eens’, zei hij.

De eekhoorn keek en las: ‘vergeetboek’.

‘Wat is dat voor een boek?’ vroeg hij?

De mier sloeg het boek open. Op de eerste bladzijde stond een inhoudsopgave. De hoofdstukken heetten: Verleren, Vertrekken, Verliezen, Verlaten, Vervallen, Verflauwen, Verbleken en Verdwijnen.

‘Verdwijnen,’ mompelde de eekhoorn. ‘Laat dat eens zien.’

Hij pakte het boek beet en sloeg het op de laatste bladzijde open. Het leek wel alsof het boek daar het meest gelezen was.

De eekhoorn las: …en ten slotte zal alles…

Er zat een scheur in die bladzijde alsof hij in grote haast was omgeslagen. De mier zei: ‘Niet verder lezen!’ en trok het boek uit de handen van de eekhoorn, sloeg het dicht en legde het op de grond in een hoek onder het stof.

De balken kraakten en het halfopen raam klepperde even.

‘De wind,’ zei de eekhoorn.

‘Nee’, zei de mier. Het was windstil buiten.

‘Wie zou hier hebben gewoond?’ vroeg de eekhoorn.

Ik denk, zei de mier, ‘dat hier nooit iemand heeft gewoond.’

De eekhoorn trok een zeer ernstig gezicht en stapte achter de mier aan naar buiten. Zij liepen het bos is.

‘Niet omkijken.’  zei de mier.

De eekhoorn keek om en zag dat het huis verdwenen was. Er stond een bloeiende rozenstruik. En een klein donker wolkje drong zich in de gedachten van de eekhoorn en bleef daar hardnekkig hangen.

Wat heeft dit verhaaltje mij steeds weer opnieuw te zeggen en wat is de link met het onderweg zijn van zowel Abraham als van onszelf en met het nieuwe begin en met de huidige toestand?

Ten eerste treft mij de onzekere, duistere sfeer van het verhaal. En dat komt door het gebruik van bepaalde woorden en beelden. Zo wordt er gesproken over de ‘achterkant’ van het bos. Dat klinkt niet pluis. Er is een vervallen huis met een gebroken raam. Niet een plek waar je zou willen vertoeven, zeker niet als alles onder het stof zit en het binnen donker, oud en verlaten is. Dan komt het belangrijkste van het verhaaltje: er ligt een ‘vergeetboek’ met hoofdstukken die over het verleden gaan, zoals vertrekken, verliezen, verlaten enz. ‘Niet omkijken, ’ zei de mier. Daar gaat het vaak om in ons onderweg zijn.

We hebben herinneringen om op te halen, maar het verleden kunnen we niet meer overdoen. Er is überhaupt geen mogelijkheid om ons leven te regisseren, want onverwacht is de dag waarop een vriendschap, een liefde je leven binnenwandelt; onverwacht het uur dat je geliefde je leven verlaat, onverwacht die ene gebeurtenis die je bestaan verandert.

Wat blijft in onze herinnering is een bloeiende rozenstruik met soms een donker wolkje.

Terug naar vandaag: In een lied van Huub Oosterhuis staat o.a. de tekst hoe we onderweg

“… schoorvoetend gaan met in onze handen wichelroeden, spiegels en zwaarden geklemd.”

Ik vind het heel treffend verwoord: we zijn met de wichelroeden op zoek naar geluk. De zwaarden denken we nodig te hebben om de ‘vreemde’ ander van het lijf te houden en de spiegels hebben we heel hard nodig om in te kijken –  naar onszelf.

Iedere keer weer moet ik de moed hebben om bij mezelf naar binnen te gaan en te beseffen dat ik naast de anderhalve meter samenleving ook soms in mijn eigen ballingschap verkeer. Het ene is opgelegd en we doen bijna allemaal ons best ons daaraan te houden. De toekomst is onzeker en we verlangen naar hoe het was. Maar als we terugkijken zien we wellicht ook het donkere wolkje.

Het andere – die eigen ballingschap – doen we zelf en doet ons in het vervolg van het lied tegen God zeggen:

Jij, nog naamloze, ademt ons open
En doet ons gaan in tranen maar ongebroken

door de nacht van de schepping
en houdt ons gaande naar een nieuwe geboorte.

 

De kunst is om staande in het nu de rozenstruik te blijven zien. Om gaande door de woestijn later niet alleen het dorre droge van de herinnering te onthouden, niet alleen terug te denken aan de tijd dat het water je aan de lippen stond. De kunst is om ook de gedachte te koesteren aan de grazige weiden met al die bloemen, zelfs als we door de bomen het bos niet meer zien. Dat is het bloeiende rozenstruikje mét het wolkje. Laten we moed verzamelen en doorgaan, ook als is de toekomst onbekend. Wie kom ik nog tegen, wie ga ik nog ontmoeten en wie heb ik verloren? Ons onderweg zijn is als de hoofdstukken van het boek in dat donkere stoffige huisje, maar ook wie komt men tegen, als ze mij ontmoeten. Hopelijk niet alleen het wolkje, maar ook en vooral het bloeiende rozenstruikje.

Laten we, zoals dat lied zegt, gaande blijven naar een nieuwe geboorte.

Zo moge het zijn.

Lied: 283  couplet 4 en 5

                Laat uw dauw van vrede dalen in de voren van de tijd

                Vat ons samen in de stralen van uw goedertierenheid.

                Die ons naam voor naam wilt noemen, al uw liefde ons besteedt,

                zingend zullen wij U roemen en dit huis zingt met ons mee!

Gebed

Lied: 416, couplet 1, 2, 3

Ga met God en Hij zal met je zijn, jou nabij op al je wegen

                met zijn raad en troost en zegen. Ga met God en Hij zal met je zijn.

                Ga met God en Hij zal met je zijn: bij gevaar in bange tijden,

                over jou zijn vleugels spreiden. Ga met God en Hij zal met je zijn.

                Ga met God en Hij zal met je zijn: in zijn liefde je bewaren,

                in de dood je leven sparen. Ga met God en Hij zal met je zijn

Zegen

Behoed ons
zegen ons
bewaar ons
Gij die ons hebt toegekeerd
naar elkaar,
om elkaar
te zegenen
te bewaren
te behoeden.
Amen.

Lied: 362 1e couplet

                Hij die gesproken heeft een woord dat gáát.

                Een tocht door de woestijn, een weg ten leven.

                Een spoor van licht dat als een handschrift staat

                tegen de zwartste hemel aangeschreven.

                Hij schept ons hier een nieuwe dageraad. Hij roept ons aan, ‘Ik zal jou niet begeven’.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *